“Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?” Dit zinnetje is al bijna duizend jaar oud en een van de vroegste Nederlandse teksten. In het Nederlands van nu zouden we zeggen: “Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik. Waar wachten we nog op?”. Blijkbaar zijn vogels en hun nesten al heel lang een bron van inspiratie. Dat is te begrijpen, want wie wordt niet blij als hij in het voorjaar ziet hoe vogels een nest bouwen en hoe vader en moeder vogel voor hun jongen zorgen? Het zijn symbolen van liefde en nieuw leven, en we zien er God in, die Zijn schepping onderhoudt.

 
Ook voor de dichter van psalm 84 waren vogels en hun nesteldrang een inspiratiebron: “Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!”. Ook in de vorige bijdrage aan deze rubriek werd deze psalm al genoemd. En welke christen herkent zich er niet in?

In de regel voorafgaand aan dit prachtige vierde vers staat wat de dichter tot zijn uitroep bracht: “Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN.” Hij is niet in staat om naar de voorhof te komen, en verlangt zo naar het huis van God dat hij jaloers is op de mus en de zwaluw, die nestelen en jongen voortbrengen op de plaats waar God woont.

 

Dat verlangen voel ik ook, nu nog sterker dan anders, in een tijd waarin het niet meer zo vanzelfsprekend is dat we naar de kerk kunnen gaan. Het huis van God, die ‘heilige gebouwen’, waar ik Hem ontmoet en waar Hij mij tegemoet komt. Dat huis, waar ik Gods woord hoor, die heerlijke boodschap van genade voor zondaren. Dat huis, waar ik in doop en avondmaal kan zien dat de God van het verbond getrouw is en doorgaat met Zijn werk. Dat huis waar ik de gemeenschap der heiligen ervaar, in de ontmoeting met mensen die hetzelfde verlangen hebben.

 

Aan de woorden ‘Zelfs vindt de mus…’ zit voor mij een bijzondere herinnering. Deze vier woorden staan boven de rouwkaart van mijn lieve moeder, die in 2013 stierf. Mijn moeder was als een musje: onopvallend, bescheiden, eenvoudig. Ze was ook een beetje tobberig, vooral over haar geloof. Hoe kon er voor haar nou een plek zijn bij Gods altaren? Maar ze was ook verlangend, en haar verlangen is in vervulling gegaan: ze mag nu in dat huis zijn dat niet met handen gemaakt is, maar eeuwig in de hemelen.

 

Dat is wat ik zelf ook lees en zing in psalm 84: ik ben maar een onooglijk musje, maar ik verlang ernaar bij de Heere te zijn. Ik ben het niet waard, maar Hij zegt dat ik vele musjes te boven ga. Ik hoor helemaal niet in Gods huis, maar toch mag daar mijn plekje zijn. Hier op aarde al, in een godshuis van hout en steen. En straks, in dat hemelse huis dat eeuwig zal blijven. Omdat de Heere me dat plekje geeft. Wat een wonderlijke liefde, en wat een verbazingwekkende genade.

 

Hans Smits