Geschiedenis van de Dorpskerk

  • Kerkgebouw en toren
  • Klokken
  • 1900
  • St. Crispijn
  • Preekstoel
  • Doopvont
  • Grafstenen
  • Orgel


De toren en het kerkgebouw aan de Dorpsweg te IJsselmuiden zijn vermoedelijk gelijktijdig omstreeks 1200 gebouwd. Later dan de Hervormde kerk te Wilsum, die als moederkerk van IJsselmuiden kan worden beschouwd. De IJsselmuider kerk werd gewijd aan de gebroeders Crispinus en Crispinianus. De hervormde kerk in IJsselmuiden vertoont overblijfselen uit zeer oude tijd. In de periode na de eerste christenpredikers werden de kerken, op enkele uitzonderingen na, van hout gemaakt. Na het jaar 1000 bouwde men in toenemende mate stenen kerken. Zo was de kerk in IJsselmuiden in haar oudste vorm een gelijkzijdig vierkant stenen gebouw zonder toren van twaalf passen breed en lang, met geheel gladde muren, zeer lichte pilaters en kleine rondoverdekte ramen die hoog en onregelmatig waren geplaatst.

Het kerkgebouw was oorspronkelijk romaans en waarschijnlijk eenbeukig, uit tufsteen opgetrokken met een rondbogig koor (absis). Het kreeg zijn huidige gotisch-romaanse aanzien na een verbouwing en vergroting in de vijftiende eeuw met een vijfachtste gesloten koor. Het oorspronkelijke tongewelf en de halfronde koorafsluiting werden daarbij afgebroken. De toen in het koor aangebrachte kruisribgewelven zijn geheel gaaf aanwezig en de zijmuren van het vroegere schip zijn nog gedeeltelijk voorzien van vlakke Romaanse lisenen en halfronde-geprofileerde waterlijsten. Een duidelijk bewijs dat de oorsponkelijke kerk stamt uit de romaanse bouwperiode.De toegemetselde opening in het midden aan de zuidkant gaf de plaats aan van de oorspronkelijke ingang, maar deze werd later verplaatst naar de westgevel. De kerk was meteen houten zolder overdekt. Vervolgens werd dit kerkje aan de oostzijde met acht passen verlengd en kreeg het een halfrond gebogen koor. De kleine vensters kregen een lancetboogvorm in overeenstemming met kenmerken uit de romaanse periode (ong. 1200).

Gedeelten van het tufstenen muurwerk van het schip zijn voorzien van de vlakke Romaanse lisenen en halfronde geprofileerde waterlijsten die eveneens dit tijdperk aantonen. De uitwendige tufstenen bekleding komt men veel tegen bij kerken aan de rivieren omdat het transport van tufsteen uit Duitsland gemakkelijk was. De vulling tussen het binnen- en buitengemetselde muurblad bestaat uit veldkeien en kalkmortel. De eindmuur van het schip aansluitend aan de toren laat de daklijn zien van het vroegere lage Romaanse zadeldak. Ook uit deze periode stamt de aan de westkant geplaatste tufstenen toren die bestaat uit twee geledingen. In de gevels ervan zijn de nissen omsloten door hoeklisenen en gedekt door friezen van elkaar kruisende rondboogjes op gebeeldhouwde kopjes. De galmgaten zijn rondbogig met daarin zuiltjes met teerlingkapitelen.

Een aanbouw uit de Gotische periode, waarschijnlijk uit de 15e eeuw, is het koor, dat driezijdig gesloten is en dezelfde breedte en hoogte heeft als het kerkgebouw. Men heeft toen spitsboogvensters aangebracht, terwijl het koor kruisribgewelven kreeg, die nog gaaf aanwezig zijn.

In de loop der eeuwen is nogal aan kerk en toren gebouwd, verbouwd en gerepareerd. Zo verleenden Ridderschap en Steden van Overijssel op 1 juni 1626 aan de ingezetenen van IJsselmuiden een belangrijke subsidie voor herstel van kerk en toren, die als gevolg van blikseminslag ernstig waren beschadigd. Een bewijs dat de (kerkelijke) gemeente in feite armlastig was en niet in staat was om de kosten zelf te dragen. Dat blijkt nog eens in 1780 als beslag dreigt op de bezittingen van het IJsselmuiden kerspel. Dit in verband met niet betaalde rekeningen van totaal 750 gulden aan Kamper ambachtslieden wegens reparaties aan de IJsselmuider kerk in 1775. Dit mede als gevolg van de weigering van de stad Grafhorst die haar aandeel in dat onderhoud te betalen, zolang zij geen medezeggenschap in het beheer van de kerk kreeg.

In 1848 - 1849 is de kerk aan de noordzijde van het schip vergroot met een transept. De gemeente IJsselmuiden verleent na advies te hebben ingewonnen bij de Kamper stadsarchitect N. Plomp, aan de kerkvoogden toestemming om tijdens de verbouwing een ingang door de westkant van de toren, waarin een scheur zat, te maken. Wel moesten de kerkvoogden ervoor zorgen dat de toren van de burgelijke gemeente werd, voorzien van twee ankers. Het verzoek van de IJsselmuider kerkvoogdij om een bijdrage van 500 gulden in de kosten, schuiven burgemeester en wethouders van IJsselmuiden door naar gedeputeerde staten van Overijssel. Het noordelijke transept is in 1912 afgebroken, waarbij de huidige dwarsbeuken aan het schip werden gebouwd. Helaas hebben deze toevoegingen niet bijgedragen tot verfraaiing van de kerk. In 1969 is de kerk gerestaureerd en kreeg het zijn huidige interieur. De kerk heeft thans 944 zitplaatsen. Kerk en toren staan in de lijst van beschermde monumenten, omschreven als een fraai gebouw van algemeen belang wegens oudheidkundige en kunsthistorische waarde.

De toren heeft twee geledingen, waarvan de bovenste met een kleine versnijding terugspringt. Ook de nissen in de gevels herinneren aan de romaanse bouwperiode van de toren. Deze worden omsloten door hoeklisenen gedekt door friezen van elkaar kruisende rondboogjes op gebeeldhouwde kopjes. In de gekoppelde rondbogige galmgaten bevinden zich zuilen met teerlingskapitelen. De oostmuur laat onder de kap nog indrukken zien van het lage zadeldak van de oorspronkelijke romaanse kerk.


In de toren hangen 2 luidklokken:

  • De grote klok van 1647 gegoten door de klokkengieter Francois Hemoy met een diameter van 970 mm en een gewicht van circa 600 kilogram. Slagtoon is Gis''4/16 en draagt het opschrift: Laudate dominum in tympano et choro laudate eum in cordis et organo. F. Hemony MF. Ao. 1647
  • De kleine klok is in 1973 gegoten door Petit en Fritsen te Aarle-Rixter, en heeft een diameter van 755 mm. Het gewicht is 280 kilogram, slagtoon ''4/16 zuiver afgestemd op de grote klok. De klok is versierd met fraaie jachttaferelen, de wapens van IJsselmuiden en Grafhorst, en draag het opschrift: Deze klok is geschonken door mevrouw G. Siebrand-Reumer aan de kerkvoogdij der Hervormde gemeente van IJsselmuiden en Grafhorst in het jaar onzes Heeren 1973. Ter nagedachtenis aan Jan Willem Siebrand, oprichter en president-directeur van wijnhandel J.W. Siebrand n.v., geboren 2 augustus 1899 en overleden 4 augustus 1970.

Oorspronkelijk hing in de luidkamer nog een klein klokje gegoten in de zeventiende eeuw. het is door de burgelijke gemeente in bruikleen gegeven aan de Hervormde Gemeente en hangt nu in het kerkgebouw De Hoeksteen in IJsselmuiden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Dorpsweg met schooljeugd begin 1900. De muur rechts maakte plaats voor de Hogehuisstraat.
Rechts op de achtergrond, vlak voor de toren staat nog de bakkerij Van de Kruisweg. In 1908 brandde deze bakkerij geheel af. Op het nippertje werd de kerk en toren behouden. Op de voorgrond links IJsselmuidens oudste straatverlichting (petroleum). In 1920 kwam er elektische straatverlichting. Op bijna dezelde locatie werd in 1920 deze foto gemaakt: op deze foto is dan ook al een electriciteitsmast te zien.


De Dorpskerk was voor de Reformatie een Rooms Katholieke Kerk. In die dagen was het gewoon een kerk te wijden aan een of meerdere beschermheiligen. Voor de Dorpskerk waren dat de broers Crispinus en Crispinianus. Zij zijn martelaren geworden, toen zij beiden het Evangelie gingen verkondigen in Frankrijk. Meer informatie over de broers Crispinus en Crispinianus is hieronder te vinden (overgenomen van: www.heiligen.net):

25 oktober HH.Crispin en Crispinianus, martelaren
Beide broers zijn in de derde eeuw in Rome, Italië geboren. Hun ouders behoorden tot een adellijk geslacht. Van de kinderjaren beider broers is weinig bekend. Ze komen pas in beeld als zij met de zoon van een Romeinse senator naar Noord-Frankrijk trekken. Naar het plaatsje Soissons om het evangelie aan de heidenen te verkondigen. Om in hun onderhoud te voorzien werkte Crispin en Crispinianus in de nachtelijke uren als schoenmaker. Voor de armen in de stad werd echter door beide broers gratis gewerkt.

Een jaloerse concurrent vol met haat klaagde de beide broers aan bij de rechters van keizer Maximinianus. De beide broers werden vastgenomen en ze moesten hun geloof afzweren door aan de heidengoden te offeren. De broers weigerden dit en daarom werden ze op foltertafel gelegd en met kokend lood overgoten. Aansluitend werden ze in het vuur geworpen en gelijk daarop in het ijskoude water gedompeld. De folteringen deden de beide broers echter niets. In toorn ontstoken liet men de beide broers door onthoofding in het jaar 287 om het leven brengen.


De kansel is van 1680 en gemaakt van prachtig wagenschot, rechtdradig, gladde en dunne gezaagde eiken planken. Het snijwerk bestaat uit een rijke versiering van bloemen en vruchten. Deze vruchten symboliseren de rijkdom die er van de prediking van het Woord uitgaat. De onderkant van de preekstoel en de rand van het klankbord zijn omgeven door een lauwerkrans. We geloven dat de Kerk, die nu nog een strijdende kerk is, op de dag van Jezus' wederkomst een overwinnende Kerk zal worden. De lauwerkransen verwijzen naar deze overwinning van Jezus en van Zijn Kerk.

Aan de kansel zat een doopschaalhouder uit 1640 bevestigd. Deze doopschaalhouder (en een stoof) is na jarenlange afwezigheid weer terugbezorgd. Op de preekstoel ligt een kanselbijbel. Deze kanselbijbel is gemaakt in 1682 en in dat jaar ook op de kansel gelegd. Deze bijbel is helaas niet meer geheel gaaf. Maar ach, beter een goed gebruikte Bijbel die versleten is, dan eentje die gaaf is en niet meer gelezen wordt.

In de nacht van 13 op 14 januari 2006 is deze kanselbijbel gestolen, en later teruggevonden in de vijver van het Zoddepark. De kanselbijbel is hierbij zwaar beschadigd, en het is nog de vraag of de Bijbel ooit nog weer dienst kan doen als kanselbijbel.

In 2008 is de gerestaureerde kanselbijbel weer in gebruik genomen en wordt beschermd door een glasplaat.


De doopschaal in het doopvont is een geschenk van Hendrik van Eeken. Deze man gaf op 7 september 1904 een doopschaal aan de hervormde gemeente. De schaal, die nog steeds wordt gebruikt tijdens de bediening van het Heilig Sacrament van de Heilige Doop, is nu (september 2004) dus precies 100 jaar oud. Bij de toendertijd geschonken doopschaal is later een bijpassend vont gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 


Naast de Dorpskerk, aan de kant van de Dorpsweg, liggen enkele mensen begraven, waaronder ds. Eerdmans, oud-predikant van onze gemeente.

 

In de Dorpskerk staat een orgel van de orgelbouwer Matthijs Verhofstadt uit het jaar 1716. Dit orgel staat sinds 1885 in onze kerk, en heeft daarvoor van 1716 tot 1880 in de Evangelisch Lutherse kerk van Utrecht gestaan. In het jaar 1880 werd het aangekocht door de orgelbouwer Zwier van Dijk uit Kampen voor de prijs van Fl. 100,--. Korte tijd heeft het orgel in Genemuiden gestaan. Op 6 augustus 1882 was namelijk de Hervormde Kerk van Genemuiden afgebrand. De gemeente aldaar heeft tijdelijk het orgel, dat Zwier van Dijk had gekocht in Utrecht, in gebruik gehad. Het is hetzelfde orgel dat de kerkvoogdij van de hervormde gemeente van IJsselmuiden in 1885 zou aankopen. In februari van dat jaar had de kerkvoogdij besloten een orgel aan te schaffen. Hiervoor moest in de kerk een galerij worden geplaatst. Deze is geplaatst in het gedeelte van de kerk waar tegen de toren staat. Daarna is het orgel vanuit Genemuiden over gebracht naar de Dorpskerk van IJsselmuiden. Tot op de dag van vandaag staat dit orgel in onze kerk. De speeltafel, die door Zwier van Dijk aan de zijkant geplaatst was, wordt bij de grote restauratie door Verschueren in 1968 weer naar de achterkant verplaatst. Een uitbreiding vindt plaats in 1986 door Hendriksen en Reitsma waarbij o.a. het pedaal een Fagot 16’ krijgt en op het hoofdwerk een Prestant 8’ op een kantsleep, zij het zonder groot octaaf.

De laatste restauratie wordt voltooid in 2016. Dit is een ingrijpende restauratie, uitgevoerd volgens de z.g. monumentenroute en o.a. mogelijk gemaakt door een flinke subsidie van de Provincie Overijssel. Met als adviseur Peter van Dijk restaureert orgelmaker van Vulpen uit Utrecht het orgel na een uitgebreid onderzoek en inventarisatie van het pijpwerk. Het is een sanerende restauratie met als uitgangspunt de situatie Bätz-1825.

De geschiedenis van het orgel t/m de laatste restauratie wordt beschreven in verschillende rapporten, in het boek “In ere hersteld” door T.Snoeijer en in het tijdschrift “Een nieuw geluid, vertrouwde tonen”, uitgegeven bij de ingebruikname. Informatie hierover bij het kerkelijk bureau.


 

Hoofdwerk manuaal II C-c''' orgel1

Prestant                8 vt
Octaaf                   4 vt
Holpijp                  8 vt
Cornet                  3 st. disc.
Roerfluit               4 vt
Quint                     3 vt
Octaaf                   2 vt
Tertiaan               1 3/5 vt
Mixtuur                  3 st
Trompet               8vt bas/disc.

Werktuiglijke registers

Tremulant
Koppelingen:
Manuaalkoppel
Pedaal - hoofdwerk
Pedaal - benedenpositief

 

Werktuiglijke registers

Tremulant orgel2
Koppelingen:
Manuaalkoppel
Pedaal - hoofdwerk
Pedaal – benedenpositief

Onderpositief   manuaal I C-c'''

Prestant              2 vt
Holpijp                8 vt
Fluit                     4 vt
Quintfluit             3 vt
Roerfluit              2 vt
Flageolet            1 vt

Pedaal  (C-d')

Bourdon 16 vt
Fagot       16 vt

stemming: evenredig zwevend a=440Hz

 

Kerkgelegenheden

Dorpskerk
Geschiedenis Dorpskerk

Oude foto's Dorpskerk
Restauratie orgel